Distelkruisstraat 2 en 4

We hadden veel pofklanten, maar iedereen betaalde later terug
In het boek Disteldorp, ‘Eene voorziening in den noodstaat een interview met mevrouw Slee, beter bekend als Toni Laioli die in 1992 al 50 jaar in Disteldorp woonde. Ze werkte in Distelkruisstraat 2 bij melkslijterij Tijmes en daarna bij Van Marle op de hoek van het Distelplein. De woning van de melkslijters was naast de winkel op Distelkruisstraat 4.
De familie Tijmes was daar in 1928 gekomen en vierde in september hun 25e jaar in de winkel. Er werd toen in de winkel een foto gemaakt.
Van links naar rechts zie je: Toni Slee, Jans Kroon, Mevrouw Tijmes, Willie Boontjes, Meneer Tijmes, zoon Aart Tijmes en dochter Betsy Tijmes. (foto mevrouw Slee).

Mevrouw Slee vertelt

” De meeste winkel waren hier op het Distelplein. In de loop van de tijd hebben er verschillende zaken gezeten. De allereerste kruidenierszaak was Van Amerongen. Later vestigde zich er een strijkerij en toen die eruit ging, kwam de gemeente erin. Nu zit de wijkverpleging in die ruimte.

Je had hier op het dorp een schoenmaker, een kapper, een sigarenzaak, een groenteman, een melkboer, noem maar op. En op de hoek van de Distelweg zat nog een ‘Jantje van alles’. Die noemden we zo omdat je er van alles kon krijgen. Als je er boodschappen ging doen, moest je er minstens twee uur voor uittrekken, zo’n kletskous was het.

Behalve de winkels in Disteldorp zelf kwamen er ook venters langs. De zuurman Van der Leeuw bijvoorbeeld. Die kwam altijd ‘s zondags. En Steenman, de voddenman, de Chinezen met zoete pinda’s en Van der Steur niet te vergeten. Die kwam uit de Jordaan met vis. ‘Meid ik heb lekkere vis . Skolletjes en skarretjes’, zei hij altijd.

Toen ik de eerste dag bij Tijmes kwam werken,ging het meteen mis. Je had drie laden boven elkaar. Eén met witte bonen, één met bruine bonen en één met groene erwten. Ik trok de la met groene erwten te ver open en alle erwten gingen over de vloer.

In die tijd werd er nog veel los verkocht. Zout, zeep, soda. Boter werd in tonnetjes verkocht. Bleu-band was geloof ik de eerste die met verpakte boter kwam. Eieren kostten toen nog één cent; brood negen cent. Vlees verkochten we niet, wel vleeswaren. Mevrouw Tijmes maakte zelf de gekookte worst. Van het water dat overbleef werd soep gemaakt. Zelk kocht ik nooit vleeswaren, want dat was te duur voor mij. Er waren allemaal van die lekkere dingen te koop. Tjoklat chocolade,, Melk en bitter. Dat was eerste klas. Of Goudboon koffie en thee.

Ik spaarde wel. Bij de gemeente. Daar kon je lakens, slopen en ledikanten kopen. Ze hadden een opslagplaats in de Begoniastraat en daar kon je het halen als je genoeg gespaard had. Die lakens; als je ze gewassen had, kon je ze rechtop neerzette, zo goed waren ze.

Op een gegeven moment is Tijmes ermee gestopt en kwmen Loes en André van Marle in de winkel. Die zaten er nog maar net toen Simon de Wit kwam. Het was hard werken, werken, en nog eens werken voor weinig geld. Vrijdagavond moest ik altijd de beunen boenen. Dat zijn vlonders, daar stond je op achter de toonbank. Daar kreeg ik niks voor betaald. De melkbussen schoonmaken, dat was ook zo’n kluif. Elke dag kwam er zo’n man kijken of de melk nog goed was. Zo’n melkbus werd niet één of twee keer met water gewassen, nee wel tien keer.

Er waren veel mensen die steun hadden. Als ik dan in de winkel hielp en ik gaf twee streepjes meer dan zag je ze glunderen he. Want niemand hier had het breed hoor. Natuurlijk werd er gepoft, bijna iedereen pofte. Zelf ben ik ook poffend grootgebracht. We hadden een hele bak met pofklanten, maar eerlijk is eerlijk, alles werd altijd keurig betaald.”